De Oerakker
| Home |
| Netwerk eeuwig moes |
| Oranje Lijst |
| Kennisbank |
| Links |
| Leden |
De Oranje lijst van groenterassen bestaat uit rasnamen van diverse groentegewassen die werden geteeld in de periode vanaf 1850 tot rond de Tweede Wereldoorlog en die welke nu nog verkrijgbaar zijn. Deze oude rassen vormen het uitgangsmateriaal van onze, door intensieve veredeling verkregen, nieuwe rassen. Gedurende die vroegere periode werden ook “nieuwe rassen” geïntroduceerd die door veredeling zijn ontstaan, maar die veredeling was nog beperkt tot, voornamelijk massa selectie.
| Aardappel (Solanum tuberosum) | |
|
De aardappel afkomstig uit Zuid Amerika. Spanje was het eerste Europese land waar de aardappel in de 16e eeuw op kleine schaal werd verbouwd. In Nederland is de aardappel in de laatste decennia van de 17e eeuw geïntroduceerd door de protestanten die terugkeerden naar ons land nadat zij werden verdreven uit de Pfalz in Duitsland en uit het aangrenzende deel in Frankrijk. De oudst bekende rasnamen dateren van een eeuw later, bijvoorbeeld "Bremer Rooden" en "Elfringen" uit 1770 (Zingstra, 1983).
Na het uitbreken in 1845 van de aardappelziekte welke veroorzaakt wordt door de schimmel Phytophthora infestans, werd het vinden van nieuwe rassen gestimuleerd door de overheid. Al snel ontstonden ‘nieuwe’ rassen zoals "Schoolmeester" en "Zeeuwse Blauwe" (1860), "Fransen" (1870), "Berlikumer Geeltje" en "Munstersen" (1890). Pioniers op het gebied van de aardappelveredeling waren Geert Veenhuizen ("Eigenheimer", 1893; "Rode Star", 1909) en Klaas de Vries ("Bintje", 1910) die Nederland als leverancier van goede rassen voor het aardappelpootgoed op de kaart zetten. Voor verdere informatie aangaande de geschiedenis van de aardappelveredeling ( De Haan, 1953 ). Van de ongeveer 400 rassen die tot de tweede wereldoorlog in Nederland zijn geteeld zijn er nog 70 over. De meeste van die rassen zijn in vitro of cryopreserved opgeslagen in Europese genenbanken. N.B. Ter illustratie van een aantal rassen mochten wij de afdrukken van de getekende platen van het NIVAP gebruiken, waarvoor onze dank! |
| Aardbei (Fragaria ananassa) | |
|
In de bronstijd werd de aardbei al door mensen gebruikt, maar pas vanaf de 14e eeuw werden aardbeiplanten vanuit het wild in tuinen aangeplant. In die tijd werden ze vooral gebruikt als sierplant en voor medicinaal gebruik. De vrucht was klein en de planten waren niet erg productief. De aardbei zoals wij die kennen is ongeveer 200 jaar oud. In de 17e en 18e eeuw zijn uit de beide Amerika's de octoploïde soorten Fragaria virginia (Noord-Amerika) en Fragaria chiloensis (Zuid-Amerika) ingevoerd. In 1766 werd de aardbei voor het eerst uitvoerig beschreven door Antoine Nicolas Duchesne en gaf hij aan zijn beschreven soort de Latijnse naam Fragaria ananassa. Deze soort had echter ook veel kenmerken van de ingevoerde soorten. De in Europa inheems voorkomende soorten zijn of diploïd (2n=14) of hexaploïd (2n=42), terwijl de geteelde soort octoploïd (2n=56) is. Daarom wordt aangenomen dat de in Europa geteelde aardbei een hybride is van F. virginia en F. chiloensis en is de goede soortnaam Fragaria × ananassa. Later zijn ook kruisingen gemaakt met de octoploïde soort F. ovalis. In Californië werden vooral aardbeien geteeld met een zeer harde vrucht, vergelijkbaar met een appel. De in Europa geteelde vruchten waren daarentegen zacht. Kruisingen tussen deze twee typen aardbeirassen hebben de tegenwoordige, stevige rassen opgeleverd, die hierdoor goed verhandeld en over grote afstanden getransporteerd kunnen worden.
Van de ongeveer 136 rassen die tot de tweede wereldoorlog in Nederland zijn geteeld zijn er nog 22 verkrijgbaar. In Nederland en België komen de diploïde Bosaardbei (Fragaria vesca) en de zeldzame hexaploïde Grote bosaardbei (Fragaria moschata) in het wild voor. Zie ook De aardbei (1949, H.G. Kronenberg e.a.). |
| De Alliums | |
|
|
Ui (Allium cepa), Sjalot (Allium ascalonicum en Allium cepa) en Prei (Allium porrum of Allium ampeloprasum).
Al zo’n vijfduizend jaar geleden werden de eerste uien in Azie geteelt. Vanuit India zijn de uien naar Griekenland en Egypte gebracht, zo vertellen ons de oude hiërogliefen. De Romeinen introduceerden vervolgens de ui en uiachtigen in heel Europa.
De Alliums zijn door de eeuwen heen gebruikt als groente en als medicijn.
|
| Andijvie (Cichorium endivia) | |
|
Andijvie kennen we alleen als cultuurplant. Het kan een kruising zijn tussen de soorten Cichorium intybus (witlof) en de wilde cichorei Cichorium pumilum. De oorsprong ligt in het oostelijk Middellandse zee gebied. Het gewas is verspreid door Centraal en West Europa in de 16e en 17e eeuw. In Nederland werd met name de breedbladige andijvie (scarole in het Frans) gegeten en dan wel gekookt. Pas later is de krulandijvie (frisée in het Frans) geïntroduceerd, voornamelijk gegeten als rauwe salade.
Ooit zijn er in Nederland 50 andijvierassen geteeld tussen 1850 en de Tweede Wereldoorlog. Daarvan zijn er nu nog 16 rassen verkrijgbaar. |
| Asperge (Asparagus officinalis subsp. officinalis) | |
|
|
Het oorsprongsgebied van de eetbare asperge is niet precies bekend. De wilde asperge komt uit het Middellandse Zeegebied. Hoe lang de asperge al is gebruikt als groente of als medicijn is onduidelijk, maar in ieder geval werd de asperge zo’n 2000 jaar voor Christus al zeer gewaardeerd door de Romeinen. Pas vanaf de zestiende eeuw word de asperge langzaam populair in Europa en aan het eind van die eeuw zien we ook steeds meer dit gewas in Nederland. Een interessant artikel over de geschiedenis van de aspergeteelt met als titel “Asperges als gewas in Nederland”, geschreven door Willem Brandenburg, is verschenen in het boek “Asperges in olieverf: een Koninklijke groente in de 17 e eeuw.” Dit boek is verschenen in 2005. Uit het artikel “Genealogy of asparagus cultivars” van M. Knaflewski, 1996 (ISHS Acta Horticulturae 415: VIII International Asparagus Symposium) blijkt hoe smal de genetische basis is van asperge. Wij vonden 26 oude rasnamen, waarvan er nu nog 6 in de handel of in genenbanken te vinden zijn. |
| Biet: Rode biet en Snijbiet (Beta vulgaris) | |
|
De rode biet of kroot (Beta vulgaris subsp. vulgaris var. ruba), de voederbiet (Beta vulgaris), de suikerbiet (Beta vulgaris) en de snijbiet (Beta vulgaris var. flavescens) zijn afkomstig uit het Middellandse-Zeegebied, Klein-Azië en de Kaukasus. Aanvankelijk gebruikte men waarschijnlijk alleen het blad als voedsel, zoals bij snijbiet. In de tweede en derde eeuw na Chr. worden de wortels van de biet reeds door de Grieken en Romeinen als voedsel gebruikt. Tot na de Middeleeuwen is de kroot waarschijnlijk een langwerpige bleke wortel geweest.
Tot 1800 waren er maar weinig soorten kroten. In Engeland onderscheidde men er slechts twee, nl. de Rode en de Lange rode. Op het vaste land van Europa was de teelt in die tijd reeds van meer betekenis. Hoewel de kroot daar pas na 1800 bekend is geworden, hebben de Verenigde Staten toch belangrijke bijdragen aan de teelt geleverd. Zo zijn b.v. Egyptische platronde en Detroit of Kogel Amerikaanse selecties. Van de ongeveer 116 rassen die tot de tweede wereldoorlog in Nederland zijn geteeld zijn er nog 23 verkrijgbaar. |
| Boon (Phaseolus vulgaris) | |
|
Uitgangspunt voor deze lijst, wat betreft bonen, waren Nederlandse zaadcatalogi uit de periode 1852 tot 1945 en Nederlandse landrassen zoals beschreven door Nijdam en Zeven. Vervolgens is gekeken welke rassen uit deze groslijst nu nog verkrijgbaar zijn bij huidige leveranciers van tuinbouwzaden dan wel bij een van de wereldwijde genenbanken. Samen vormen zij de Oranje lijst.
De geschiedenis van de rassenstudie wordt beschreven door Uilenberg en van Steenbergen. |
| Erwt (Pisum sativum) | |
|
|
Ook voor de erwten hebben wij de Nederlandse zaadcatalogi uit de periode 1852 tot 1945 gekozen als uitgangspunt. In tegenstelling met de Phaseolus boon, die pas na de ontdekking van de Amerika’s op het Europese menu kwam, is de erwt een veel ouder Europees voedingsgewas. De ontwikkeling van het Nederlands rassensortiment is in 1949 beschreven door Nijdam (Tien jaren P.S.G. Wageningen: 23-37) . Hieruit blikt dat aan het eind van de 19e eeuw de veredeling door selectie is gestart. In 1954 en 1955 beschrijft De Haan (Euphytica 3: 188-194 en Euphytica 4: 67-75) hoe het Nederlandse rassensortiment door veredeling is geëvolueerd. Tenslotte bespreken Davidse en coauteurs de rassenkeuze en rasverbetering bij de doperwt (1949,Tien jaren P.S.G. Wageningen: 38-47). |
| Komkommer en augurk (Cucumis sativus) | |
|
|
Al meer dan 3000 jaar wordt komkommer geteeld en gegeten. Ook de zure komkommer (augurk) was al bekend bij de oude volkeren Mesopotamiërs, Egyptenaren en Grieken. Het oorsprongsgebied ligt in de heuvels voor de Himalaya in India. Waarschijnlijk is het gewas door de Romeinen vanuit West Azië naar Europa gebracht.
In 1984 schreef J. Schoenaker de scriptie “Gewashistorie van de komkommer”, waarin naar voren komt dat de introductie van komkommer in Europa in meerdere golven heeft plaats gevonden. In Frankrijk werd de komkommer waarschijnlijk geteeld vanaf de 9e eeuw, in Engeland vanaf de 14e eeuw. Het duurde tot rond 1500 voordat de (gele) komkommer in Nederland werd geteeld. Via Spanje zijn er rond 1600 witte komkommers in Frankrijk en Nederland gekomen, waarvan de teelt zich snel uitbreidde. In Engeland kwamen vooral de groene cultivars voor. In Nederland verschijnen deze pas in de achttiende eeuw. Pas halverwege de 18e eeuw werden voor het eerst in Nederland augurkjes of wel troskomkommers geteeld. Oude komkommerrassen zijn in meer of mindere mate bitter, afhankelijk van het ras, de teelt, de leeftijd van de vrucht en de ouderdom van het gewas. Pas in de jaren zestig van de vorige eeuw werd de bittervrije komkommer geïntroduceerd. |
| Kool (Brassica oleracea) | |
|
|
De Nederlandse zaadcatalogi van 1852 tot 1940, samen met de rassenlijsten tot 1940 leverden weer veel namen van de diverse typen kolen, allen behorend tot de botanische soort Brassica oleracea. Van deze oude rassen zijn nog 5 bladkolen, 18 bloemkolen, 8 boerenkolen, 2 Broccoli, 5 Koolrabi, 8 Rode kolen, 23 Savooie kolen, 8 Spruitkolen en 21 Witte kolen verkrijgbaar. Kool is in Nederland een oud voedingsgewas, zo blijkt uit de brochure over de koolgeschiedenis. De eerste koolgewassen, waarschijnlijk sluitkolen, bereikten ons land vermoedelijk al in de Romeinse tijd. Voor een indruk van geteelde rassen rond 1940 (behalve Bloemkool, Broccoli en Koolrabi) is als bijlage een cursus koolgewassen, door dhr. Bruin 1940, gemaakt voor de keurmeesters, toegevoegd. |
| Meloen (Cucumis melo) | |
|
Meloenen behoren tot de zeer uitgebreide familie van de Cucurbitaceae of komkommerachtige, waartoe ook de pompoenen, courgettes, patisson, augurken en komkommers behoren. De Cucurbitaceae omvat meer dan 850 soorten verdeeld over 100 geslachten.
De oorsprong van de gewone (suiker) meloen is waarschijnlijk afkomstig uit Midden-Azie. De suikermeloen is al duizenden jaren bekend in India en Egypte. De honing- of wintermeloenen schijnen daarentegen van Afrikaanse oorsprong te zijn. De teelt zou onafhankelijk van elkaar in Azië en Afrika zijn begonnen. De Romeinen hebben de meloen gekend zoals blijkt uit opgravingen bij Pompei en Herculaneum. De teelt heeft zich in Europa beperkt tot de Middellandse-Zeelanden, totdat de teelt onder glas in Noordwest Europa op gang kwam. Van de ongeveer 139 rassen die tot de tweede wereldoorlog in Nederland zijn geteeld zijn er nog 24 verkrijgbaar. |
| Pastinaak (Pastinaca sativa) | |
|
De pastinaak was bij de oude Grieken en Romeinen al bekend en komt oorspronkelijk uit het Middellandse zeegebied. In de middeleeuwen kwam de plant, als belangrijk voedingsgewas en voorganger van de aardappel, naar West Europa. De pastinaak, ook pinksternakel en wilde witte wortel genoemd, ontleent haar geslachtsnaam Pastinaca aan het latijnse woord pastus, voedsel, wegens de voedzame eigenschappen van de wortel. Wij vonden 20 oude rasnamen, waarvan er nu nog twee verkrijgbaar zijn. |
| Radijs (Raphanus sativus subsp. sativus) | |
|
Radijs was, evenals de knolraap, al bekend bij de oude Grieken en Romeinen. Men neemt aan dat China het land van oorsprong is, omdat daar ook wilde vormen van radijs voorkomen. Volgens Edgar Andersom is het een van de oudste cultuurplanten. In de 16e eeuw werd de radijs al in Nederland geteeld. In oude catalogi vonden wij 163 rasnamen, waarvan er nog 27 verkrijgbaar zijn. |
| Rammenas (Raphanus sativus var. niger) | |
|
Rammenas behoort tot de familie van de radijzen. Rammenas (Engels: radish, winter radish, black radish, Frans: radis rave, Duits: Rettich, Radi) is oorspronkelijk afkomstig uit Voor-Azie, is het een van de oudst bekende gecultiveerde planten. In het Oude Egypte is op tempelwandschilderingen uit omstreeks 2000 v.Chr. te zien dat rammenas als offer werd gebruikt. Uit andere bronnen blijkt dat rammenas tussen 400 v.Chr. en 80 n.Chr. ook bij de oude Grieken en Romeinen bekend was. Ook in Pompeii (Italie) zijn wandschilderingen gevonden, waarop rammenas is afgebeeld.
Omstreeks 1150 wordt de naam 'retich', later 'rettich', voor het eerst gebruikt. Deze naam is afkomstig van het Latijnse woord 'radix' (= wortel). Vanaf 1500 vinden we rammenas in vrijwel alle Europese 'kruidtboeken'. In Nederland heeft de teelt van rammenas altijd een vrij beperkte omvang gehad. Van de ongeveer 72 rassen die tot de tweede wereldoorlog in Nederland zijn geteeld zijn er nog 9 verkrijgbaar. |
| Rapen: Knolraap (Brassica rapa) en Koolraap (Brassica napobrassica) | |
|
Knolrapen werden al geteeld door de Oude Grieken en de Romeinen. De domesticatie heeft waarschijnlijk plaatsgevonden in Afghanistan, Pakistan en het Middellandse Zeegebied. In Nederland is het een zeer oud voedingsgewas. Van de 98 gevonden oude rasnamen zijn er nu nog 15 verkrijgbaar. Koolraap is waarschijnlijk ontstaan uit een kruising tussen kool (Brassica oleracea) en knolraap. Koolraap werd vroeger in het Friese kleigebied, de Bommelerwaard, Gelderland, Noord-Limburg en Noord-Brabant verbouwd voor zowel dierlijke (veevoer) als menselijke consumptie. Wij vonden 63 oude rasnamen, waarvan er nu nog 7 verkrijgbaar zijn. |
| Schorseneer (Scorzonera hispanica) | |
|
In de zestiende eeuw is de schorseneer vanuit het Middellandse Zeegebied naar Nederland geïmporteerd. De plant werd voor de Tweede Wereldoorlog vrij algemeen gegeten, maar is daarna in diskrediet geraakt, mogelijk door zijn bewerkelijkheid. Wij vonden 16 oude rasnamen, waarvan er nog twee verkrijgbaar zijn. |
| Selderij (Apium graveolens) | |
|
Knolselderij en bladselderij zijn waarschijnlijk afkomstig uit het Middellandse-Zeegebied. De Griekse schrijver Homerus (800 v. Chr.) vermeldt de plant in zijn geschriften en Theophrastus (372-287 v. Chr.) schrijft in zijn 'Natuurgeschiedenis der planten' over wilde selderij.
De naam selderij is afgeleid van het Griekse woord selinon.
Italië is het land waar bleek- en knolselderij ontwikkeld zijn. Beide selderijvormen ontstonden vrijwel gelijktijdig. Omstreeks begin 1600 zijn blad-, bleek- en knolselderij bekend. De teelt van selderij heeft zich vooral in West-Europa, Amerika en China verspreid. Van de ongeveer 105 rassen die tot de tweede wereldoorlog in Nederland zijn geteeld zijn er nog 12 verkrijgbaar. |
| Sla (Lactuca sativa) | |
|
In de Nederlandse zaadcatalogi van 1852 tot 1945 vonden wij 256 namen van slarassen. Daarvan zij nu nog 33 rassen onder 105 rasnamen beschikbaar. De rassen kennen veel synoniemen, zoals beschreven door Rodenburg (1960: Varieties of Lettuce, an international monograph). De eerste duidelijke aanwijzing voor de slateelt in West Europa is te vinden in de “Ortis Sanitatis” (Schöffer, 1485). Al in de 16e eeuw was sla een geliefde groente zoals blijkt uit de kruidboeken (o.a. Dodoens, 1554). Aan het eind van de 16e eeuw was er reeds een grote variatie aan kropslavormen wat er op duidt dat toen reeds werd geselecteerd. In de 19e eeuw vindt een ware explosie in de toename van selecties (rassen) plaats die onder de meest uiteenlopende namen worden geteeld. In het boek van Rodenburg (1960) vonden wij een beschrijving van alle 33 rassen, die dan ook zijn toegevoegd. |
| Spinazie (Spinacia oleracea) | |
|
|
Oorspronkelijk komt spinazie voor in centraal en zuidwest Azië.
In het boek: “De ontwikkeling van de Nederlandse tuinbouw, 1952, W.J. Sangers” lezen we dat de bisschop van Utrecht “gruen cruyt” deed kopen. Ook werd de naam “spinaetse” gebruikt voor spinazie in de 14e eeuw.
Al vroeg werden meerdere soorten, zoals snijbiet (Beta vulgaris var. cicla), Malabaarsche spinazie (Basella rubra et alba), Nieuw-Zeelandse spinazie (Tetragonia expansa), spinazie met vruchten als aardbeien (Blitum virgatum), veldspinazie (Chrysosplenium) en Bos spinazie (Chenopodium bonus henricus) ook als spinazie verkocht.
Hier beperken wij ons tot de Spinacia oleracea.
In oude catalogi en rassenlijsten vonden wij 98 rasnamen over de periode van 1850 tot aan de tweede wereldoorlog. Daarvan zijn er nu nog 23 rassen verkrijgbaar. |
| Tomaat (Solanum lycopersicum (Lycopersicon esculentum)) | |
|
De tomaat is na de aardappel de meest geconsumeerde groente in de wereld. Tot de 16e eeuw was de tomaat onbekend in de oude wereld. Ook in de 19e eeuw werd deze vrucht nog maar weinig gebruikt. De vrucht was lang verdacht vanwege de giftige stof tomatine in onrijpe vruchten. Pas in de twintigste eeuw werd de tomaat een favoriete vrucht. De oorsprong van de tomaat ligt in het Andesgebergte in Zuid-Amerika. Waarschijnlijk cultiveerden de indianen de tomaat al duizenden jaren. Via Mexico is de vrucht in de 16e eeuw naar Spanje en Italië gebracht. Snel na de introductie van de tomaat in Europa wordt hij ook in Nederland geteeld. In Zuid-Europese landen krijgt hij de bijnaam 'pomme d'amour' (liefdesappel), vanwege de vermeende zinnenprikkelende eigenschappen. Meer historische informatie is te vinden in de scriptie “De ontwikkelingsgeschiedenis van de tomaat (1986, Frank de Langen en Chris Rijnders)”. Wij vonden 97 oude rasnamen, waarvan er nu nog 51 rassen te verkrijgen zijn. |
| Tuinboon (Vicia faba) | |
|
Het precieze oorsprongsgebied van de tuinboon is onbekend. Ook zijn er geen wilde verwanten bekend. Bij archeologische opgravingen bij Nazareth in Israël werden tuinbonen gevonden die dateren van 6000 jaar voor Christus. Ook in Nederland was de tuinboon tot ver na de Middeleeuwen één van de belangrijkste voedingsgewassen. Droge bonen werden na weken gekookt maar ook werden ze tot meel vermalen en in brood en meelspijzen verwerkt. Na de introductie van de Zuid Amerikaanse Phaseolus-boon en de aardappel was de teelt van beperkte omvang. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg de conservenindustrie meer belangstelling voor dit produkt. Uit oude catalogi konden wij 97 rassen optekenen, waarvan er nu nog 13 verkrijgbaar zijn. |
| Veldsla (Valerianella locusta) | |
|
Veldsla komt voor in Europa en Azie en groeit als onkruid in graanvelden (Engels: corn salad). Het werd vroeger door boeren verzameld voor consumptie. Pas vanaf het begin van de 19e eeuw wordt het gewas als groente geteeld. Wij vonden in oude catalogi 24 rasnamen, waarvan nu nog twee rassen te verkrijgen zijn. |
| Witlof (Cichorium intybus) | |
|
Wilde cichorei komt van oorsprong uit de streken rond de Middellandse Zee. De malse groene bladeren werden reeds door de Egyptenaren, Grieken en Romeinen als salade gegeten.
Witlof is ontstaan door selectie uit cichorei, die smaller en donkerder blad, een gladdere wortel en een dunnere wortelhals bezit. De ontdekking van de 'kroppen-witlof' werd omstreeks 1850 in België gedaan door Bréziers uit Schaarbeek in een kelder van de Botanische Tuin. Rond 1870 kwam de teelt op wat grotere schaal in de omgeving van Brussel op gang. Vandaar de naam 'Brussels lof'. In 1913 werd In Nederland de eerste witlof geveild en pas na 1930 werd de teelt in Nederland gangbaar. Van de ongeveer 24 rassen die tot de tweede wereldoorlog in Nederland zijn geteeld zijn er nog 5 verkrijgbaar. |
| Wortel of Peen (Daucus carota) | |
|
|
In Nederland wordt al meer dan 400 jaar de oranje wortel geteeld, zoals blijkt uit oude schilderijen. Van de 126 oude rassen uit de periode 1850 – 1950 zijn er nog zo’n 31 verkrijgbaar. Voor eenzelfde wortel waren vaak meerdere rasnamen in omloop. Oorspronkelijk kende men twee typen: de “Lange Rode” en de kortere “Hoorn”. Nog steeds vinden we deze typenamen terug als “Long Orange”en “Horn”. De beschrijving van de rassen komen uit het boek: Main types of the western carotene carrot and there origin, Banga O. 1963. Over de geschiedenis van de wortel leest u in: Origin and distribution of the western cultivated carrot, Banga O. 1963. |
Vragen of opmerkingen naar: De Oerakker.